Woordenboek van de Limburgse dialecten, aflevering 12

Niet-agrarische vakterminologieën

Het woordenboek van de Limburgse dialecten nadert zijn einde. Gelukkig denk ik maar. Op de eerste plaats is het een project dat eindeloos leek door te gaan en waarover menig keer een debat is gevoerd tot op het allerhoogste niveau. Vele miljoenen zijn er aan uitgegeven en het resultaat is een databank met woorden, uitdrukkingen en uitspraaknoteringen, op basis waarvan een gezamenlijk uitgangspunt geformuleerd zou moeten kunnen worden.

In hoeverre deze verzameling woordenboeken praktisch iets oplevert voor de gemiddelde dialectspreker/gebruiker dat is nog maar de vraag. De woordenlijsten die als informatiebronnen hebben gediend voor de lange lijsten dateren van 1960 tot 1980 en inderdaad zijn vele beroepen en begrippen zo niet geheel dan toch grotendeels uitgestorven. Voor zover de woorden niet in verhalen staan opgenomen zullen ze, vrees ik, enkel en alleen voor het taalkundig onderzoek interessant blijken te zijn. In aflevering 12 hebben de dialectologen het vooral over de houtzager, de timmerman, de meubelmaker, de rad- en wagenmaker, de kuiper, de klompenmaker en de mandenmaker.

Voor zover de begrippen volstrekt onbekend zijn, hebben de samenstellers tekeningen toegevoegd.

We kunnen constateren dat we nu in een totaal andere wereld leven, die nauwelijks nog banden heeft met de mensen en het leven uit de voorbijgegane eeuwen. We spreken dezelfde taal, maar praten al lang niet meer over dezelfde zaken.


Woordenboek van de Limburgse dialecten, deel II aflevering 12,
Uitgeverij Van Gorcum. ISBN: 90-232-37323, euro 38,57.

Paul Weelen
21-3-2002