Limburgse dialectsprekende kinderen

op school beter dan eentalige

Wetenschappelijk onderzoek ruimt wijd verbreide misvatting op Na de erkenning in 1997 door de Nederlandse regering van de verzamelde Limburgse dialecten als officiële streektaal is er nu een nieuwe mijlpaal op taalpolitiek gebied te melden. Onder redactie van twee hoogleraren is een samenvatting van een aantal onderzoeken verschenen die tot de conclusie leiden "dat er in Limburg bij dialectsprekende kinderen geen sprake is van een negatieve invloed van dialectspreken op schoolprestaties noch van een geringere taalvaardigheid Nederlands, voorzover gemeten met gebruikelijke gestandaardiseerde schoolvorderingentoetsen." Deze publicatie is tot stand gekomen op verzoek van de Raod veur 't Limburgs, het door het provinciebestuur ingestelde adviesorgaan voor streektaalbeleid, waarvan ondergetekende namens Veldeke lid is. In een vlotte stijl, die ook voor niet taalkundig geschoolden goed te volgen is, zetten de beide hoogleraren uiteen, hoe zij tot hun conclusies zijn gekomen. Allereerst besteden zij aandacht aan het verschijnsel van taal en meertaligheid in de moderne samenleving. Tegen de achtergrond van migratie, Europese eenwording en internationalisering bepleiten zij een houding binnen het onderwijs en de opvoeding, die uitdrukkelijk uitgaat van een bewustzijn van meertaligheid: "Veeltaligheid vormt niet alleen een kernthema voor het onderwijs, maar tevens een principieel maatschappelijk thema." Dat geldt natuurlijk ook voor de situatie dialect-standaardtaal. (Momenteel wordt in opdracht van de Raod veur 't Limburgs de laatste hand gelegd aan een basisschoolmethode voor Limburg, waarin dit uitgangspunt de grondslag vormt.) De belangrijkste conclusies zijn ontleend aan diverse onderzoeken, waaronder het zogenaamde PRIMA-onderzoek uit de jaren negentig van de vorige eeuw een belangrijke plaats inneemt. Doel van dit landelijk onderzoek was een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van het primair onderwijs in Nederland. Onder andere werden daarbij gegevens verzameld over de Nederlandse taalvaardigheid van leerlingen uit het basisonderwijs. Daarbij werden de achtergrondkenmerken van de ouders van 60.000 leerlingen verdeeld over 700 basisscholen betrokken. Voor Friesland en Limburg hield dat ook de Friestaligheid en Limburgstaligheid van de ouders in. De leerlingen uit het PRIMA-bestand werden in groepen ingedeeld op basis van de taal die ze thuis spreken.Dat leverde interessante gegevens op. Voor de gedetailleerde gegevens wordt hier verwezen naar de paragraaf Taalvaardigheid Nederlands in Limburg en elders (pagina 61 e.v.). Ik volsta met de vermelding van de belangrijkste samenvattende conclusie. "Kinderen die van huis uit Standaardnederlands spreken halen lagere taalscores in groep 8 (vroeger zesde klas, LH) dan sprekers van een Limburgs of ander dialect." Het moge duidelijk zijn, dat de Raod veur 't Limburgs en Veldeke dit document als een belangrijk instrument zullen hanteren in de strijd voor het behoud en de promotie van de Limburgse dialecten. Vanaf nu beschikken zij en iedereen die het dialect een warm hart toedraagt over een objectief en wetenschappelijk onderbouwd argument om het dialect te promoten. Bij het in ontvangst nemen van het eerste exemplaar deelde député Odile Wolfs mee, zeer gelukkig te zijn met de conclusies van deze studie, die ze als een ondersteuning zag van het provinciaal streektaalbeleid. Daarnaast wees zij op de betekenis van het dialect als drager van de Limburgse cultuur, een identiteit om trots op te zijn. Prof.Dr. Sjaak Kroon en Prof.Dr. Ton Vallen: Dialect en school in Limburg, Aksant academic publishers, Amsterdam 2004, ISBN 90 5260 147 X, prijs € 9,90. Lei Heijenrath 27 januari 2005

Lei Heijenrath