Dr. Aimé van Reydt: Het Limburgs als schooltaal

Aimé van Reydt deed onderzoek naar de manier waarop in Limburgse basisscholen aandacht wordt besteed aan de Limburgse taal. Hier volgt een samenvatting van zijn bevindingen. En wat blijkt: de scholen doen veel minder dan wettelijk is toegestaan.

Aanleiding tot het onderzoek

In 1997 schreef ik in mijn proefschrift Dialect en onderwijs in Emmen:

‘Aansluiten bij het bekende is tegenwoordig een algemeen aanvaard didactisch principe. Dit betekent dat in het standaardtaalonderwijs aan van huis uit dialectsprekende kinderen rekening gehouden moet worden met de thuistaal. Hiervoor bestaat ook een wettelijk kader: de Wet op het Basisonderwijs van 2 juli 1981 staat het gebruik van het dialect in de schoolsituatie toe (Artikel 9, lid 8). Bij het standaardtaalonderwijs aan van huis uit dialectsprekende leerlingen verdient een bi-dialectale aanpak daarom de voorkeur.’ (1)

Ondanks de brede belangstelling voor mijn proefschrift heeft dit niet geleid tot veel verandering in de houding die basisscholen, ook in Limburg, innemen inzake het dialect, zoals we in het vervolg van dit artikel zullen zien.

Vanaf 1997 is het Limburgs officieel als regionale taal erkend onder het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden van de Raad van Europa. Als gevolg hiervan wordt Nederland gecontroleerd door het Comité van Experts dat namens het Comité van Ministers van de Europese Unie toeziet op de juiste naleving van het verdrag. Om de drie jaar bezoekt het Comité van Experts de deelnemende landen om te zien hoe het met de naleving van het verdrag staat. Dit is de zogenaamde Monitoring Cycle. In de vierde ronde van de Monitoring Cycle heeft het Comité van Ministers de Nederlandse autoriteiten aanbevolen om het onderwijs in het Limburgs op te waarderen tot de status van een gewoon schoolvak en het aanbod in dit vak uit te breiden, ook in de voorschoolse educatie. Een soortgelijke aanbeveling werd ook gedaan door het Comité van Experts. (2)

82% van de respondenten op de grote Limburg-enquête wil dat kinderen in het dialect worden opgevoed. 70% geeft aan dat er op radio en tv meer Limburgs te horen moet zijn, 64% laat weten dat er structurele aandacht voor het dialect in het onderwijs moet komen en dat het dialect zoveel mogelijk gebruikt moet worden (60%) (3). Uit recent onderzoek (eind 2014) van het Eénvandaag Opiniepanel blijkt dat maar liefst 75% van de Limburgers wil dat hun dialect behouden blijft (4). Het overgrote deel van de Limburgers, jong en oud, spreekt nog steeds dialect, in alle lagen van de bevolking, en in velerlei situaties. Het opgroeien in meerdere talen en dus ook in het dialect heeft een cognitieve meerwaarde voor zeer jonge kinderen. Hoewel de literatuur over dit onderwerp niet eensluidend is, lijkt het er toch op dat kinderen die van jongs af aan in het dialect en het Nederlands (of andere taalcombinaties) opgroeien, geen onderscheid hoeven te vertonen of zelfs een voorsprong kunnen hebben in hun talige en cognitieve ontwikkeling vergeleken met eentalige Nederlandstalige kinderen. Tweetalige kinderen kunnen beter hoofd- en bijzaken onderscheiden dan eentalige kinderen, ze kunnen zich beter concentreren, ze leren wellicht makkelijker nieuwe talen en ze kunnen zich beter verplaatsen in ‘de ander’. Dit is belangrijk voor succesvolle school- en werkcarriѐres. Uit onderzoek blijkt ook dat twee- of meertaligen op latere leeftijd geconfronteerd worden met dementie dan ééntaligen (5,6,7). Jonge kinderen die afgeremd worden in het spreken van dialect worden geremd in hun taalontwikkeling en geraakt in hun gevoel van welbevinden en zelfrespect. (8)

Deze onderzoeksresultaten zijn makkelijk te rijmen met de mening van 64% van de respondenten op de Limburg-enquête dat er structurele aandacht voor het dialect in het onderwijs moet komen. Toch heeft Limburg te maken met veel vooroordelen over het spreken van dialect. Bovendien wordt Limburg steeds ééntaliger en spreken steeds minder inwoners dialect/Limburgs.

Het Limburgs in de school en taalbeleid?

Het doel van mijn onderzoek was om een beeld te krijgen van de opvattingen die er in het onderwijs en bij de gemeenten in Limburg over het gebruik van het dialect in de schoolsituatie bestaan en of er een formeel taalbeleid geformuleerd is. Deze twee vragen heb ik opgenomen in een brief die ik aan alle 33 gemeenten in Limburg gestuurd heb. Via de site van gemeenten heb ik alle daar vermelde scholen voor het basisonderwijs in Limburg (N=364) voor zover er een e-mailadres te achterhalen viel, aangeschreven (N=170). Daarnaast werden de streektaalfunctionarissen in Nederland, zoals ze vermeld worden op de site van streektaal.net benaderd (N=12).

In Figuur 1 staan de belangrijkste bevindingen op mijn twee vragen vermeld. In de eerste kolom staat de gemeente of school genoemd. In de tweede kolom staat de datum waarop ik antwoord op mijn vragen gekregen heb vermeld. In de derde kolom staan welke opvattingen er leven betreffende het gebruik van dialect/Limburgs op school. Ten slotte staat in de vierde kolom of er beleidsstukken zijn, dat wil zeggen of er officiële documenten zijn, hoe en waarom men voor of tegen het toestaan van het dialect in de schoolsituatie is.

Figuur 1

gemeente/school datum beleid beleidsstukken
Beek 5-2-2017 geen geen
Blerick Basisschool 14-2-2017 voertaal ABN maar dialect wel toegestaan geen
Brunssum 29-3-2017 geen geen
Brunssum Basisschool 1 16-3-2017 geen geen
Brunssum Basisschool 2 13-3-2017 geen geen
Echt-Susteren 20-2-2017 geen geen
Eijsden-Margraten 24-4-2017 geen maar dialect wel toegestaan geen
Heerlen 23-2-2017 geen geen
Herten Basisschool 23-3-2017 voertaal ABN maar dialect wel toegestaan geen
Leudal 13-2-2017 geen geen
Maasgouw 20-2-2017 geen geen
Maastricht 25-4-2017 wel geen
Maastricht kinderopvang 2-5-2017 voertaal ABN Pedagogisch beleidsplan
Peel en Maas 10-3-2017 geen/dialect alleen buiten de klas geen
Roerdalen 14-2-1017 geen geen
Schinnen 15-2-2017 geen geen
Simpelveld 17-5-2017 geen geen
Vaals 13-2-1017 geen geen
Venlo 9-3-2017 geen geen
Venray 24-8-2017 geen geen
Spelentere (Gulpen-Wittem-Vaals) 30-5-2017 ABN maar dialect wel toegestaan geen
Provincie Limburg 9-6-2017 wel, nl. Sjiek is miech dat! geen
Streektaalfunctionaris Stellingwerven 4-5-2017 wel wel
Streektaalfunctionaris Drenthe 5-5-2017 geen maar dialect wel toegestaan geen
IJssel-akademie 8-5-2017 geen geen

Bevindingen

Figuur 1 laat zien dat 15 gemeenten geantwoord hebben. Typerend voor de reacties die ik van de gemeenten ontving, is die van de gemeente Leudal: ‘Bij deze wil ik u informeren dat wij in de gemeente Leudal geen beleid hebben met betrekking tot het spreken van Limburgs in de schoolklas. Het is aan de scholen om hier zelf een lijn in te trekken. Wij staan dus wel toe dat op school Limburgs wordt gesproken, maar de scholen geven hier zelf invulling aan en bepalen zelf wat er in de klas wordt gesproken.’ (9)

Of de reactie van de gemeente Landgraaf: ‘Als reactie op uw verzoek kan ik u meedelen dat wij als gemeente geen specifiek beleid hebben over het gebruik van het dialect in het onderwijs. Als gemeente laten wij de daadwerkelijke invulling van het onderwijs aan de scholen zelf over.’ (10)

Kenmerkend voor de reacties van de gemeenten is dat men zich niet wil bemoeien met het taalbeleid op de scholen. De enige uitzondering vormt de gemeente Maastricht.

De reacties van de basisscholen zelf passen in dit patroon. Zoals deze van een basisschool in Brunssum; ‘In informele situaties bij leerlingen onderling wordt er Limburgs gesproken. In de gangen, op de speelpleinen, bij niet-lesgeboden taken. Oudergesprekken e.d. worden in het Limburgs gevoerd (indien beide partners Limburgs spreken) en ook collega’s onderling spreken Limburgs. In de lessen wordt alleen Nederlands gesproken.’ (directeur van de basisschool) (11)

Opvallend is, dat de kinderopvang in Maastricht wel een beleidsplan heeft. Daarin staat: ‘Alle medewerkers spreken ABN met de kinderen. Alleen als het voor de veiligheid van een kind zinvol is, kan daarvan worden afgeweken en kan het kind worden toegesproken in de thuistaal.’

Ook bij de peuterspeelzalen van Spelentere (12) heeft men een beleidsplan. Men staat hier relatief positief tegenover het Limburgs; ‘In de gemeenten Gulpen-Wittem, Vaals en Simpelveld wordt dialect gesproken. Dit is voor heel veel kinderen en ouders de meest gesproken taal. Tevens is het ook de meest vertrouwde taal.’

Het meest positief over het Limburgs in het onderwijs is de provincie Limburg. Zo schrijft men: ‘Taal leeft in Limburg en maakt deel uit van de culturele identiteit van de Limburger’ (13). Vanuit het veld is een visie opgesteld getiteld Sjiek is mich dat!! ‘Om verjonging te realiseren is aansluiting met het onderwijs nodig in de vorm van bijvoorbeeld spreektaalcursussen, aandacht voor tweetaligheid in het onderwijs en ontwikkelen van materiaal voor de jongste jeugd.’ (14)

De gemeenten laten het taalbeleid duidelijk over aan de scholen en de scholen op hun beurt aan de individuele leerkrachten. Het spreken van dialect wordt toegestaan in informele situaties maar het dialect c.q. Limburgs is geen instructietaal op school en ook geen zaakvak. Zowel scholen als gemeenten beroepen zich op geen enkele wijze op artikel 9 van de Wet op het Basisonderwijs waarin staat dat scholen aandacht kunnen schenken aan het dialect. Waarom beroept men zich niet op dit artikel om het onderwijs in het Nederlands en dialect aan te bieden?

Aanbevelingen

Zowel de Nederlandse Rijksoverheid als de provincie Limburg zetten zich in voor het bevorderen van het onderwijs in het Limburgs. Dit als gevolg van de ondertekening in 1997 van het Europees Verdrag over de Minderheidstalen. Deze inzet is nog niet duidelijk terug te zien bij gemeenten en schoolbesturen. Artikel 9 van de Wet op het Basisonderwijs zou gebruikt kunnen worden om het onderwijs in het Limburgs te stimuleren. Een voorbeeld hoe dit gerealiseerd (15) zou kunnen worden is de taalsituatie in Friesland (16).

De site van de Friese kinderopvang SFBO (Sintrum Fryske Barne opfang – ‘Centrum voor opvang van Friese kinderen’) staat een opdracht voor studenten van ROC’s. Een dergelijke opdracht die bewustwording voor de meertaligheid van kinderen stimuleert, luidt als volgt:

Breng (op je stageadres) de taalsituatie van alle kinderen in de groep in kaart.

  • Hoeveel kinderen zitten er in de groep?
  • De oudste is… de jongste is… (in maanden)
  • Kunnen de kinderen al praten? Kun je ook horen welke taal ze spreken?
  • Noteer van elk kind apart:
    • de naam;
    • de leeftijd (in maanden);
    • welke talen er thuis gesproken worden (vader, moeder, broertjes en zusjes);
    • of ze zelf al praten;
  • Maken kinderen opmerkingen zoals: ‘papa zegt buiten spelen en mem seit bûten boartsje?’
  • Maak je ook mee dat kinderen Nederlands tegen een Nederlandssprekend persoon en Fries tegen een Friessprekend persoon spreken?
  • Noem een paar voorbeelden van wat de kinderen zeggen, en hoe ze praten. Bijvoorbeeld: een één-woordzin met gebaren: naar het koekje wijzen en zeggen: ‘koekje.’ Of: een twee-woordzin: ‘ikke koekje.’
  • Voer met twee kinderen een kort gesprek, probeer beide keren de kinderen wat te laten vertellen of uitleggen. Maak daar een verslag van.
  • Leg een paar van bovenstaande vragen voor aan een leidster.
  • Welke taal/talen spreken de leidsters zelf? Gebruiken ze zelf één of meer talen in het contact met de kinderen? (bijvoorbeeld: spreken ze Fries tegen de hele groep kinderen, in welke taal lezen ze voor, spreken ze tegen alle kinderen dezelfde taal als ze hen naar de wc helpen?)
  • Vraag ook naar de motivatie van de leidsters: Waarom gebruiken ze één taal, of waarom juist meer talen in het contact met de kinderen?

Tot zover deze opdracht om een beeld te geven hoe het Fries op de basisschool geïmplementeerd kan worden.

Het toestaan van het dialect op de scholen in Limburg in het onderwijs leidt tot een win-winsituatie: het komt tegemoet aan de wens van de meeste ouders in Limburg, het zorgt ervoor dat kinderen niet vervreemden van hun primaire leefomgeving en het kan leiden tot betere (school)resultaten en talige ontwikkeling.

Eindnote

1. Aimé van Reydt: Dialect en onderwijs in Emmen. Dissertatie. Thesis publishers Amsterdam, 1997.
2. European Charter for Regional and Minority Languages. p. 69
3. R. Belemans, 2002. Eindrapport over de Limburg-enquête. Gepubliceerd door de Road veur ’t Limburgs / Bureau Streektaal Nederlands-Limburg.
4. Dialect spreken is verbondenheid voelen. EenVandaag opiniepanel. Aan het onderzoek deden 22.855 leden van het EenVandaag Opiniepanel mee. Het onderzoek vond plaats van 19 tot en met 24 november 2014. Zie ook het rapport ‘Sjiek is mich dat’.
5. Costa, Hernández & Sebastián-Gallés; Bilingualism aids conflict resolution: evidence from the ANT task 2008. Byalistok 1991. Effects of the second language on the first. P. 142, 146, 152.
6. Byalistok & Martin: Attention and inhibition in bilingual children: evidence from the dimensional change card task. 2004
7. Cornips, Van der Heuij & Francot: Staat het opgroeien in dialect het hebben van een goede woordenschat in het Nederlands in de weg? In Levende Talen Magazine, jaargang 102. 2015:8
8. Cornips, Leonie. 2012. Eigen en vreemd. Meertaligheid in Nederland.
9. E-mail van 13-2-2017
10. E-mail van16-03-2017
11. E-mail van 12-04-2017
12. E-mail van 2-5-2017
13. Toekomst voor erfgoed. Beleidskader met uitvoeringsprogramma Immaterieel erfgoed 2006 t/m 2019, p. 20.
14. Sjiek is mich dat! Visie op taal als erfgoed Dialect /streektaal, literatuur, taal- en volkscultuur in Limburg. 12-10-2015
15. Baquedano-López & Mangual Figueroa: Language Socialization and Schooling. 2011: 547.
16. Gino Morillo Morales. 2017. Es ich groter bin dan mag ik naar de basisschool! Analysing the Multilingual Landscape of Eijsden-Margraten’s Pre-School Playgrounds. Tilburg University/ Radboud University/Meertens Instituut (KNAW).

 

 

← Ga terug