Column Leonie Cornips over meertaligheid

Leonie Cornips reageert op het KNAW rapport Talen in Nederland – Talen voor Nederland en plaats het begrip meertaligheid in een breder perspectief.

Het alledaagse maar zo complexe verschijnsel meertaligheid

In 2018 verscheen het rapport Talen in Nederland – Talen voor Nederland. In dat rapport stelde de KNAW vast dat Nederland een meertalige samenleving is geworden en dat het tijd wordt om verstandiger en efficiënter om te gaan met de talen die binnen onze landsgrenzen worden gesproken. Dat het rapport  meertaligheid signaleert als kenmerk van een moderne samenleving is belangrijk, maar niet nieuw. Hoe wij ons neigen te verhouden tot meertaligheid echter, is wel een thema.

Meertaligheid is een verschijnsel van alle tijden. Iedere samenleving is meertalig, zo ook Nederland. Nu en vroeger: naast het Nederlands is het Fries als tweede officiële taal in de provincie Fryslân en zijn het Limburgs/Nedersaksisch en Jiddisch/Sinti-Romanes via Europese afspraken als regionale en niet-territoriale talen officieel erkend. Bovendien spreken mensen makkelijk twee of meerdere dialecten en talen naast elkaar in Nederland.

In de Middeleeuwen was meertaligheid geen punt van discussie: iedereen binnen of buiten de Lage Landen sprak het dialect of dialecten van zijn dorp, stad of regio. In de laatste decennia ligt meertaligheid echter wel onder vuur. Een voorbeeld daarvan is de gedragscode van de toenmalige burgemeester Opstelten van Rotterdam die in 2006 voorschrijft: “Nederlands is de gemeenschappelijke taal van Rotterdam. In het openbaar spreken we Nederlands – op school, op het werk, op straat en in het buurthuis”. Zo’n oproep is onzinnig voor meertalige sprekers in Nederland van het Fries, dialect, Turks, Berber, Italiaans, Frans of Engels.

Eén land-één volk-één taal

Meertaligheid is van alle tijden maar wordt pas aan het eind van de negentiende eeuw een probleem. Na 1848 streeft men naar taaleenheid als symbool van politieke eenheid wanneer in Europa de moderne natiestaten ontstaan: Duitsland en Italië en centralisatie van Nederland en Frankrijk. Een van de belangrijkste argumenten in die tijd voor een eigen staat was (en is) dat taal het volkskarakter of de volksziel weerspiegelt en dat men zich door ‘eigen’ taal van andere volken kan onderscheiden. De taalkundige Matthias de Vries roemde het Nederlands in 1853 als een ‘afspiegeling van ons vaderlandsch karakter, merkteeken van ons volksbestaan, band en pacht onzer nationaliteit’. Iedereen die één taal deelt, deelt dus ook een vaststaande verzameling van culturele normen en waarden. Volgens cultuurhistoricus Joep Leerssen refereert het concept nationale identiteit aan een unieke en onverwisselbare eigen plek onder de zon; het behelst het idee dat de natiestaat van nu dezelfde identiteit manifesteert als die van onze ouders en eerdere generaties.

Wanneer de Europese natiestaten zich in een identiteitscrisis wanen, wordt meertaligheid een probleem. Socioloog en publicist Dick Pels verwoordt die paniekreactie in De Groene Amsterdammer:. Vanuit die gedachte verbeeldt een ander soort taalgebruik afwijkend sociaal gedrag, als het niet willen of kunnen aanpassen aan de Nederlandse samenleving. In het extreme geval beoordeelt men het anders spreken dan het normatieve Nederlands of het spreken van een andere taal als: niet-goed burgerschap. Het idee: iemand die wel in Nederland woont maar  geen (gewoon) Nederlands of anders spreekt, houdt zich niet aan de regels en voelt zich ook niet echt verbonden met Nederland.

De gedachte dat het succes van een natiestaat afhangt van ééntaligheid boven meertaligheid creëren we echter zelf.  Groepen en relaties door taal en identiteit (nationaal, etnisch) zijn immers niet onveranderlijk, statisch, eendimensionaal en voorspelbaar. Hoe het Nederlands nu geschreven en gesproken moet worden, verschilt met dertig jaar geleden. Veel van onze opvattingen hierover zijn het resultaat van het met elkaar uitwisselen van ideeën, gevoelens en meningen en het beïnvloeden van elkaar door de tijd heen. Deze opvattingen kunnen telkens opnieuw vormgegeven worden en een andere inhoud krijgen.

Het KNAW rapport (2018): Talen in Nederland – Talen voor Nederland

Intussen neemt de talenkennis in Nederland af in een alsmaar meertaliger wereld. Eurostat verkondigde dat een op de zeven personen in Nederland geen vreemde taal spreekt en als we het wel doen, dan alleen Engels. Volgens de Europese Unie kregen in 2013 ruim 16,5 miljoen leerlingen in de basisschool in Europa Engels gedoceerd. Dat heel Europa voor het Engels kiest, betekent een enorme versmalling in het taalaanbod. Dat baart zorgen. Volgens de KNAW commissie heeft het onderwijs in een Nederland waarin meer dan 2,5 miljoen mensen leven met een andere taal naast het Nederlands te maken met achterstallig onderhoud. Het onderwijs speelt niet in op de toename van het aantal en diversiteit anderstaligen, op processen van globalisering en digitalisering en op de groeiende rol van het Engels. De beleidsmatige aandacht voor andere talen bij de Nederlandse overheid en in het Nederlandse onderwijs blijft achter bij de stijgende vraag naar talige competenties. De commissie schrijft dat een meertalig Nederland “zeker bij bedrijven en instellingen zoals musea of gemeentes, maar ook op veel scholen niet geleid [heeft] tot een duidelijke taalkeuze bij het omgaan met inwoners met een anderstalige achtergrond. Dat geldt noch voor de streektalen noch voor de migrantentalen. De overheid zelf heeft hier geen visie op geformuleerd en er wordt niet bijgehouden welke talen de inwoners van Nederland spreken.” (p.22).

De Commissie roept de overheid daarom op een taalbeleid passend voor alle onderwijstypen te formuleren om ten eerste de Nederlandse taalvaardigheid van alle leerlingen zo goed mogelijk aan de toekomstige arbeidsmarkt te koppelen (p.8). Ten tweede hoort in de doorlopende leerlijn het taalonderwijs binnen elk schooltype op elkaar aan te sluiten. Ten derde hoort meertaligheid per schooltype vanzelfsprekend te worden door taallessen zo in te richten dat zij naadloos aansluiten bij de taalkennis en het niveau die voor een bepaald beroep gewenst zijn. Ten slotte hoort de culturele diversiteit en de taalvaardigheid van de leerlingen in hun thuistalen – Arabisch, Turks, Spaans, Chinees – ingezet en versterkt te worden door bijvoorbeeld in de les aandacht te besteden aan vertalingen van bepaalde terminologie. Die thuistalen zijn een hulpbron voor internationalisering. De commissie spreekt de wens uit dat door een adequaat taalbeleid “Nederland beter [kan] inspelen op de veranderingen in de demografische samenstelling van onze bevolking, in de internationale machtsverhoudingen en in de economische relaties.” 

Taal als identiteit en/of instrument

De KNAW commissie verwoordt een relevante maar voornamelijk een instrumentele en rationele visie op meertaligheid. Ik zou dat nog willen aanvullen met het volgende. Taal is cruciaal in identiteitsformaties en het is juist dit gegeven dat de meeste emoties oproept. Identiteit is een dynamisch, meervoudig en ambigu resultaat van het voelen, denken en handelen van individuen of groepen. Identiteitsformatie speelt zich af binnen tegenstellingen die door mensen zelf geconstrueerd en beleefd worden. Voorbeelden daarvan zijn tegenstellingen als ‘Nederlander’ versus ‘asielzoeker’. In dit proces gaat het zowel om ideeën die mensen over zichzelf hebben, als om ideeën die anderen over hen hebben. Dat leerlingen, net als volwassenen, anders spreken dan de norm voorschrijft of dat zij hun thuistaal ook willen blijven gebruiken, heeft alles te maken met de identiteit(en) die ze beleven en (willen) uitdragen. Het al dan niet spreken van een ander soort Nederlands of een andere taal kan een gevolg zijn dat binnen de eigen groep(en) of regio een bepaald talig kenmerk of taal meer gewaardeerd wordt. Pim, bijna zes jaar oud, spreekt thuis bijvoorbeeld altijd Limburgs en op school Nederlands. Maar wanneer hij zich ongemakkelijk voelt op school kiest hij voor het Limburgs om zich te uiten. Dit blijkt wanneer de juf vraagt wie een dansje op het toneel wil doen. Pim roept voortvarend in het Nederlands dat hij wel wil maar als hij eenmaal op toneel staat, roept hij in het Limburgs: “Ich wil toch neet meer (Ik wil toch niet meer)”. Kortom, hoe personen zich met Nederland, een regio en groepen talig identificeren en hoe talige verbondenheid onderling gecreëerd, beleefd en gewaardeerd wordt, is vrij onvoorspelbaar en afhankelijk van hoe anderen dit interpreteren.

Taal en emoties

Een nieuwe visie op meertaligheid brengt diepe emoties met zich mee. De instrumentele visie van de KNAW commissie plaatst op de achtergrond dat individuen en hun talen niet op dezelfde wijze beoordeeld worden. De talige markt in Nederland is, als overal ter wereld, een symbolische markt. Meertaligheid is een verrijking als het om het Engels en zijn sprekers gaat, maar een verarming als het sprekers van Berber of Turks betreft. De overheid stimuleert en financiert Engels op de basisschool maar beëindigt op diezelfde basisschool het onderwijs in het Turks en Limburgs. Respect en waardering voor de taal van de ander speelt zich altijd af binnen een context van maatschappelijke ongelijkheid die onmiddellijk de vraag oproept wie erbij hoort en wie niet? Ondanks dat taalkundig en cognitieonderzoek laat zien dat kinderen en volwassenen prima twee talen als moedertalen kunnen beheersen, denken velen dat meertalige kinderen eerder taalachterstandskinderen zullen worden. Het overgeleverde natiestaatideaal één land-één volk-één taal  laat ons ook vastroesten in de mening dat de ideale Nederlandse burger een eentalig Nederlandssprekende burger is en dat iedereen die Nederlands spreekt zich thuis voelt in Nederland en verwelkomd wordt in Nederland.

Het verschijnsel meertaligheid in Nederland van nu en vroeger is en was alledaags maar is sinds de negentiende eeuw ook zeer complex en gelaagd. Om meningen over taal en meertaligheid te kunnen nuanceren zou er in de samenleving meer begrip en kennis, en in alle lagen van het onderwijs meer aandacht moeten komen voor talige en sociale aspecten van meertaligheid: de samenhang tussen maatschappelijke ongelijkheid en de aandacht voor achterstandsdenken en de roep om de eentalige burger die alleen Nederlands spreekt, de beleving en talige vormgeving van nationale en sociale identiteit(en) en de daarmee gepaard gaande processen van in- en uitsluiting door diverse actoren zoals school, media en de sprekers zelf.

Voor de volledige tekst van het KNAW rapport Talen voor Nederland kunt u hier klikken.

Leonie Cornips is onderzoeker Taalvariatie aan het Meertensinstituut in Amsterdam en Hoogleraar Taalcultuur in Limburg aan de Universiteit van Maastricht