Lidioom nummer 50: Extra lange feesteditie

Aflevering vjjftig vandaag. Goud. Feest? Vlaai, bloemen? Geen bloemen. Krijg ik weer van die gekke namen. Misschien kan ik beter over de namen van de vorige week verder gaan.

Driewerf nee: dan zou ik over Posterholtenaren moeten beginnen. Zo noemen die meiden van de gazet inwoners van Posterholt. En dat zijn ook nog Limburgenaren, die meiden. Ze willen laten zien hoe het moet, die… Ik moet me netjes houden. De gazet heeft samen met de vereniging Veldeke een taalquiz bedacht, waar nogal wat reclame voor gemaakt wordt. Ik hou me dus verder gedeisd.

Dinsdag stonden een paar vragen van die quiz in de gazet. In Swalmen zou koetele ruilen betekenen. Mij best, al is het niet zo heel eerlijk ruilen, meer kwanselen. Enkele kilometers zuidelijker, waar ik geboren ben, is (zich) koetele heel wat anders. Dat zou de gazet nu misschien cocooning noemen: zich nestelen in een zacht gespreide koet oftewel bedje. Dat woord koet heeft Swalmen ook. Het woordenboek meldt: de koet opzeuke, slapen gaan. Plus de prachtige uitdrukking: gaon v’r nao de boet of nao de koet, waarbij ik bij boet aan een café denk.

Wat moeten we hiermee? Allebei goed? Zeker: koetele betekent vaak  toesje, AN ‘tuisen’ ofwel ruilen. Ik signaleer verder het heel ver verwante woord kuite: een soort stoeien, vooral op school. Een jongenswoord misschien, maar ik vond ook de betekenis: slecht spelen bij beugelen (Venlo).

Opnieuw: wat moeten we met die woorden? Gebruiken. Schrijven, laat ze niet net als tuisen in het Vergeetwoordenboek komen. Het zijn waarlijke Limburgse woorden: (zich) koetele, kuite, de kuit van een been noemen we meestal kuut, de kuit (eitjes) van vissen heten koet, en die hebben we in soorten: krelkeskoet (kraaltjes), gridzelkoet waarbij we aan griesmeel kunnen denken. Wat is Oos Taal toch rijk…

Allez: vanwege het zjubelei (jubileum – die Z is misschien van zeup; voor sipsters van witte wijn: drank) doe ik nog wat van die rijkdom erbij. Een kuit is ook een neus, en uit die kuit komt koet: snot. Een  koetjóng is een snotneus, en dan hebben we de koetebremser, een snor, knevel: die remt (Duits bremsen) wat uit de kuit komt af.

Alaaf nu voor een geheim woord, dat mij doorgebeld werd vanuit Neer, meen ik: hersekoet. Een hers is een speklap, in een sjpekkook zitten verschillende herse, een oudere broer van de beller jatte vaker een speklap uit de pannenkoek, zodat er een kuiltje, een lege plek overbleef: de hersekoet. Zou dat iemand geweten hebben bij de quiz?

Reageren? Schrijf naar: redactie@veldeke.net

 

Lidioom is een wekelijkse rubriek over het eigene van de Limburgse taal. We zijn al weer toe aan de vijftigste editie. Alle voorgaande afleveringen vindt u terug in ons archief.

 

 

← Ga terug