Lidioom: Roetneusje jatten

De hoogste tijd om uit het moos te krabbelen, uit de keul (koolplantjes) en het moeras. Eerst echter een vraag, helemaal uit Holland. Of het woord ‘mous’ (een uitspraakvariant van moos = geld), dat vooral in Amsterdam te horen zou zijn, hetzelfde woord is als dat van Venlo.

Zeker. Het kan een Jiddisch woord genoemd worden; ik heb het wel eens over Rotwelsch, de handelstaal tussen Rijn en Maas. Die heet  ook wel Bargoens, waar Pierre Bakkes de fraaie naam Begoons voor bedacht heeft: de sjabbetaal (lagere standen) van Roermond.

Even echt idioom nu: de vragensteller noemde nog het woord jatmoos; vaktaal uit de financiële wereld. Betekenis: handgeld, een letterlijke vertaling dus. Moos is geld, en jatte zijn handen. Daar kun je niet mee spelen. Ik heb in Oos Taal nooit gehoord dat jat als enkelvoud gebruikt wordt, iets als: hae haet zien linkerjat verbrandj. Maar als Nederland eindelijk een vrouw als minister van Financiën kreeg, zou men die dan in Roermond het Mooswief mogen noemen? Nou nee: mevrouw de Moosvrouw lijkt me aardiger.

En nu die geheimzinnige beestjes. Het gevlekt roetneusje, de tengere korsetzweefvlieg en de spichtige spitsbek zijn zweefvliegen. Ze lijken op wespen maar ze steken niet. Er zijn alhier al een 380 verschillende soorten geteld. Waar die in verschillen? Vaak in bijna niets, denk ik. Als de vliegenjagers een exemplaar met net andere vleugels vinden, dan bedenken ze snel een naam. Gebeurt met verre sterren ook. Alleen zal Wilders het niet leuk vinden als…

Op dat moment zag ik een flits boven het moeras. Kwam uit een donkere wolk. Ik heb me al afgevraagd (aflev. 32/33) wat rijkdom aan woorden precies inhoudt. Het Limburgs heeft prachtige woorden  voor libellen en vlinders. Dat zijn woorden voor de soortnaam. Je kunt niet zeggen: Ik zie daar een pepel, waar is hij nou? Naar de buren gevlogen? Nee daar is hij weer, mijn fiepmop. Waarom niet? Antwoord: dezelfde vlinder twee geheel verschillende  namen geven.

En die flits dan? Nou: we kunnen zelf nieuwe namen voor vlinders verzinnen. En libellen, lieveheersbeestjes. Wel op basis van de namen die we al hebben. Kom echter niet aan de sint-janskruidblokspanner.

Reageren? Schrijf naar redactie@veldeke.net

 

Lidioom is een wekelijkse rubriek over het eigene van de Limburgse taal. Dit is aflevering 45. Alle voorgaande afleveringen zijn te vinden in ons archief.

 

 

 

← Ga terug