Nachtegaalreeks 1: Over de Roermondse dichter Paul van der Goor

‘Den duvel van de middig goof os vriej.’ De dichter Paul C.H. van der Goor (1932-1983).
Inleiding en bloemlezing door Pim Thielen. Nachtegaalreeks 1. LGOG/Veldeke 2021.
ISBN 978 90 71581 229
Vormgeving: Piet Gerards en Ton van de Ven

Uit het essay van Pim Thielen:

Paul C.H. van der Goor was de dichter van een klein œuvre toen hij in 1983 op 50-jarige leeftijd overleed. De zegge en schrijve vijftig gedichten, geschreven in het dialect van zijn geboortestad Roermond, lagen na zijn dood te verstoffen in oude jaargangen van Veldeke, het enige tijdschrift waar hij zijn poëzie aan toevertrouwde. Vijf gedichten vonden in 1976 hun weg naar de omvangrijke bloemlezing van Limburgse dialectliteratuur Mosalect, waarvan Van der Goor een van de samenstellers was, en in 1977 verscheen in een aflevering van Veldeke het dichtbundeltje Tösse vreug- en naojaor. Plannen voor een tweede bundel tegen het eind van zijn leven bleven steken in goede bedoelingen. Cultuurhistoricus Peter Nissen plaatste in 1989 nog een aantal gedichten in zijn kleine bloemlezing van Roermondse schrijvers Verscheurd paradijs. Daarna bleef het stil. Niets wijst erop dat de dichter ooit had gedroomd van letterkundige roem. Als muziek- en literatuurkenner en hoofdredacteur van Veldeke schuwde Van der Goor het publiek niet, was zelfs een zeer onderhoudend spreker, maar zijn poëzie hield hij half in het verborgene. Publiciteit zocht hij niet en toen hem in 1980 toch nog een publiek eerbetoon in de vorm van de Zollner-prijs ten deel, viel bracht hem dat in verlegenheid en moest hij overgehaald worden bij de uitreiking op te draven. ‘Hij vond dat hij zich door zijn vaak zeer persoonlijke gedichten toch al meer bloot gaf dan hem lief was’, schreef Peter Nissen in 1983 in het aan de dichter gewijde herdenkingsnummer van Veldeke. De enige keer dat Van der Goor zich in het openbaar over zijn schrijven uitliet, bekende hij tegenover het Limburgs Dagblad: ‘Ik maak mijn gedichten geloof ik alleen voor mezelf. […] Ik schrijf het soms van me af. Ik heb het nodig en ben erdoor gekluisterd, geremd.’ En zo bleef Paul van der Goor onder de radar van het literaire establishment.

Voor Paul van der Goor was de dialectpoëzie een uitlaatklep. Hij vertrouwde er zijn twijfels en angsten aan toe, zijn liefdesverdriet en zijn bekommernis om het leed, de joden aangedaan tijdens de holocaust. Maar ook zijn grote liefde voor de literatuur en de muziek vond een plek in zijn gedichten. Pas dertig jaar na zijn overlijden begon deze dichter van de romantic agony  de aandacht te trekken die hij verdient. ‘Schrijven is weglaten’, zei hij in het enige interview dat hij gaf. Aan de gedichten is geen woord teveel. Maar de ogenschijnlijke eenvoud van deze dialectpoëzie is bedrieglijk. De zorgvuldige compositie, de muzikaliteit en het veelvuldige meeklinken van de poëzie uit voorbije eeuwen, maken het lezen van Paul van der Goors gedichten tot een avontuur.

Peter Nissen over de poëzie van Paul van der Goor:
‘Zijn droeve herinnering aan een oud verhaal, zijn pijn om het verloren spel dat leven heet, heeft naar mijn mening de waardevolste poëzie opgeleverd, ooit in het Roermonds en wellicht ooit in enig Limburgs dialect geschreven.’ (Veldeke 1983, nr. 6)

Over de auteur Pim Thielen
Pim Thielen (Roermond 1948) was oud-leerling van Paul van der Goor op het Bisschoppelijk College in Roermond. Hij studeerde Engels en vertaalkunde, was lang docent buiten Limburg, en publiceerde verhalen en artikelen over literatuur. Zijn belangstelling voor de poëzie van Paul van der Goor ontstond toen hij, terug in zijn geboortestreek, in het Gemeentearchief Roermond diens gedichten aantrof in oude nummers van het tijdschrift Veldeke.

Meer informatie over de Nachtegaalreeks en bestelinformatie vindt u op deze pagina.

← Ga terug